Werkwijze OOO

Het onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten bestaat uit verschillende fases, waarbij elk nieuwe stap een verdieping is van de voorgaande. Deze werkwijze heeft als doel om al trechterend het onderzoeksgebied te verkleinen en in het veld gericht te kunnen werken. Welke stappen binnen het proces voor uw plangebied van toepassing zijn, is sterk afhankelijk van de locatie en terreinomstandigheden. Op basis van uw projectgegevens kunnen wij samen met u afstemmen wat de benodigde werkzaamheden zijn om een veilige werkomgeving te creëren.

Vooronderzoek

Vooronderzoeken hebben veelal een doorlooptijd van ca. 8 werkweken (muv de memo).

Voor historisch onderzoek raadplegen we schriftelijke bronnen, archieven, luchtfoto’s etc. conform de vereiste bronnen uit het Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse (CS-VROO). Op basis van deze informatie stellen we vast of een gebied verdacht is op OO en zo ja, om welke soorten munitie het gaat en tot welke diepte (verticale afbakening). Door middel van kaartmateriaal wordt inzichtelijk gemaakt of, waar en waarop een gebied verdacht is, een zogenaamde een bodembelastingkaart.

Diverse gemeentes hebben voor hun gehele gemeentelijke gebied een historisch vooronderzoek uit laten voeren met als eindproduct een gemeentelijke bodembelastingkaart. Indien de gemeente waarbinnen het plangebied ligt beschikt over een zogenoemde gemeentelijke bodembelastingkaart is in principe geen historisch vooronderzoek nodig. De gegevens van deze kaart kunnen dan als uitgangspunt worden genomen.

Indien er al een vooronderzoek heeft plaatsgevonden, al dan niet in de vorm van een gemeentelijke Bodembelastingkaart, kan een memo opgesteld worden. Hierin worden de gegevens van de (gemeentelijke) bodembelastingkaart/uitgevoerde vooronderzoek overgenomen inclusief een advies.

Voor verdere afbakening van verdacht gebied kan een VNC worden uitgevoerd. Hierbij kijken we onder andere naar welke grondroerende werkzaamheden er na de oorlog zijn uitgevoerd en tot welk diepte. Op deze wijze kan vastgesteld worden of de geplande werkzaamheden in na-oorlogs geroerde grond worden uitgevoerd. In geroerde grond worden geen OO meer verwacht. Indien sprake is van na-oorlogse bodemingrepen wordt bepaald of, en zo ja tot welke diepte onder het huidig maaiveld de aanwezigheid van OO kan worden uitgesloten. Dit onderzoek kan eventueel gecombineerd worden met een Risicoanalyse.

Bij een Risicoanalyse (RA) stellen we samen met de opdrachtgever vast welke werkzaamheden er gaan plaatsvinden. De risico’s die de te verwachten OO met zich meebrengen,worden afgezet tegen de voorgenomen werkzaamheden (en het geplande gebruik van het projectgebied) en in kaart gebracht. Tevens zullen de mogelijke beheersmaatregelen om deze risico’s weg te nemen of te reduceren, worden beschreven.

Opsporen

Indien een gebied op basis van schriftelijke bronnen als verdacht is aangemerkt en er graafwerkzaamheden in de verdachte bodemlagen gaan plaatsvinden, is opsporing in het veld noodzakelijk. Dit onderzoek kan op verschillende wijzen worden uitgevoerd, al dan niet in combinatie met elkaar.

Voorafgaand aan het opsporen in het veld zal conform de CS-OOO altijd eerst een projectplan opgesteld te worden. Hierin worden onder andere de afbakening van het verdachte gebied, het zoekdoel, de organisatie van het werk, de werkwijze, de te gebruiken apparatuur en een projectgebonden RI&E (Risico-Inventarisatie en -Evaluatie) opgenomen.

Het projectplan zal onder andere ter goedkeuring worden voorgelegd aan de opdrachtgever, zodat de juiste afstemming plaatsvindt over de werkwijze OOO en de geplande werkzaamheden.

Methode: Bij non-realtime detectie wordt computerondersteund gedetecteerd, veelal met behulp van een detectiekar. Tijdens deze werkzaamheden worden de meetgegevens opgeslagen en op een later tijdstip via software geïnterpreteerd. Een senior deskundige OOO stelt vervolgens vast welke ijzerhoudende objecten mogelijk duiden op de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten (OO). Op basis van de interpretatie van de meetgegevens wordt een objectenlijst opgesteld van gedetecteerde significante objecten die in aanmerking komen voor benaderwerkzaamheden.

Locatie: Deze methode is met name geschikt voor onbebouwde/onverharde en niet begroeide locaties.

Als er in het te detecteren gebied veel ijzerhoudende objecten aanwezig zijn (hekwerk, kabels/leidingen, ijzerhoudend puin etc.) zal dit verstorend werken. In de detectiegegevens en het kaartbeeld ontstaat hierdoor een niet te interpreteren gebied waarbinnen de mogelijke kleinere, afzonderlijke OO niet zijn te onderscheiden.

Detectiediepte: afhankelijk van het zoekdoel, verstoringen etc. tot maximaal 3 tot 4 meter onder maaiveld.

Handkar (ook met voertuig beschikbaar, waarbij breedte van de kar wordt verdubbeld)

Voorbeeld van non-realtime detectiedata. De aanwezige verstoringen in het aardmagnetisch veld zijn weerge­geven in rode en blauwe verkleuringen. De geel/zwarte bolletjes zijn de geselecteerde significante objecten.

Methode: Bij realtime (oppervlakte)detectie wordt gedetecteerd met een detector, waarbij meetgegevens in het veld direct geïnterpreteerd en beoordeeld worden. Indien mogelijk zal dit eerste zoveel mogelijk handmatig gebeuren. Bij te veel verstoring of bij diepere objecten zal dit machinaal plaatsvinden. Bij machinale laagsgewijze detectie wordt een bodemlaag met detectieapparatuur realtime gedetecteerd. Gemeten objecten worden handmatig benaderd. Hierna is de volgende laag veilig te verwijderen.

Dit onderzoek volgt veelal op de non-realtime oppervlaktedetectie, of wordt direct uitgevoerd op locaties waar non-realtime oppervlaktedetectie niet mogelijk is. Bijvoorbeeld locaties binnen de bebouwde kom met veel kabels en leidingen.

Detectiediepte: afhankelijk van apparatuur, zoekdoel, verstoringen etc. variërend van circa 30 cm tot 3 of 4 meter onder maaiveld.

Methode: Non-realtime dieptedetectie is vergelijkbaar met non-realtime oppervlaktedetectie, maar in dit geval wordt met behulp van een ‘prikstelling’ een detectiesonde verticaal de grond ingebracht, tot werkdiepte of tot de diepte waarop het gebied verdacht is.

Voorafgaand aan de non-realtime dieptedetectie dient altijd eerst vanaf het maaiveld een oppervlaktedetectie te worden uitgevoerd. Door verstoringen gecreëerd door de dieptedetectie-stelling, is het niet mogelijk om de eerste drie meter beneden maaiveld viadieptedetectie vrij te geven. Met oppervlaktedetectie is het wel mogelijk om vast te stellen of er in de eerste 3 meter onder maaiveld significante objecten aanwezig zijn. Het heeft dan ook de voorkeur om deze eerst met oppervlaktedetectie te benaderen en

daarna over te gaan op de non-realtime dieptedetectie. Met een Chaindrive of graafmachine metsondeerplatform worden op regelmatige afstand sonderingen geplaatst over het werkgebied. Voor de afstand tussen de sonderingen wordt uitgegaan van de geplande werkzaamheden en het zoekdoel. Indien tijdens de dieptedetectie een significant object wordt gedetecteerd volgen aanvullende sonderingen om het gebied verder af te bakenen en om de exacte ligplaats van het object vast te stellen.

Detectiediepte: Tot elke diepte waarop munitie verwacht wordt.

Vrijgave

Na afloop van de OOO-werkzaamheden worden de resultaten van het veldwerk gerapporteerd in een RAAP OPEX-rapport dat als proces-verbaal van oplevering fungeert. In het rapport vermelden we onder andere de opsporingsmethode, de resultaten en de vrijgave. Het rapport wordt ondersteund met de benodigde afbeeldingen, waaronder kaartmateriaal met het opsporingsgebied en het vrijgegeven terrein.